Buitenspelen spelletjes

Om tijdens het buitenspelen met de kinderen een aantal spelletjes te spelen, heb ik hieronder een aantal (on)bekende spelletjes kort omschreven.

Ik heb een euro in mijn hand
Zing het liedje:
’Ik heb een euro in mijn hand,
die gaat reizen door het land.
Is hij hier? Is hij daar?
Als je hem ziet dan zeg je het maar.

Ondertussen gaat er een euro rond in de kring. Eén kind mag tijdens het liedje niet kijken. Dat kind moet raden bij wie de euro is. Je mag drie keer raden.

Tik, tik, wie ben ik?
Eén kind doet de ogen dicht. Een ander kind tikt op de rug en zegt: “Tik, tik, wie ben ik?” Het kind moet raden wie het is.

Hoeveel kinderen zitten er achter je?
Eén kind gaat met de ogen dicht zitten. Andere kinderen kruipen er stilletjes achter. Hoeveel kinderen zitten er achter je?

Kneepjes doorgeven
De kinderen zitten in de kring. Iedereen heeft de handen vast. De juf of meester geeft het kind naast zich 1, 2, 3 of 4 kneepjes. Dat kind geeft hetzelfde aantal kneepjes door aan het kind naast haar/hem. Zo gaan de kneepjes de kring rond. Hoeveel kneepjes heeft het laatste kind gevoeld? 
Tijdens het spel mag niet gepraat worden!

Rups
Kinderen maken een wandelen rups. Ze doen hun schoenen uit en vormen groepjes van vier kinderen. Elk groepje gaat achter elkaar op de knieën zitten en houden elkaar bij de enkels vast. Samen proberen ze te lopen. Als het in kleine groepjes goed gaat, dan wordt de rups langer gemaakt door groepjes aan elkaar vast te maken. (Dit spel kun je beter in de speelzaal spelen.)

Leeuw
Alle kinderen staan in de kring. Een kind wordt de leeuw. De leeuw gaat uit de kring en slaapt ergens in een hoekje. De juf wijst 4 kinderen aan die naar de leeuw toe gaan sluipen. Als de leeuw wakker wordt dan moeten de kinderen proberen om zo snel mogelijk terug te komen in de kring. In de kring zijn ze veilig. Hoeveel kinderen heeft de leeuw getikt?

Wie niet lopen wil
Zing het liedje: Wie niet lopen wil,
Wie niet lopen wil,
Sta stil.
Wie niet lopen wil,
Wie niet lopen wil,
Sta stil. 
Tijdens het zingen van het liedje loop je hand in hand door de kamer. Op “sta stil” sta je onmiddellijk helemaal stil. Dit kan je meerder keren herhalen.

Zakdoekje leggen
Zing het liedje: Zakdoekje leggen, niemand zeggen, kukeleku zo kraait de haan.Ik heb maar twee paar schoenen aan: Een van stof en een van leer, hier leg ik mijn zakdoekje neer.

De kinderen zitten in een kring. Eén kind loopt buiten om de kring heen. Hij heeft een zakdoekje (of een ander voorwerp) in de hand. De kinderen in de kring zingen het liedje “zakdoekje leggen niemand zeggen”. De kinderen hebben hun hoofd voorovergebogen, zodat ze niet kunnen zien waar de zakdoeklegger is. Aan het eind van het lied legt het kind het voorwerp achter een kind dat in de kring zit. Dan wordt het volgende gezongen: Kijk voor je… Kijk achter je… Het kind, bij wie het voorwerp ligt, staat op en probeert de zakdoeklegger te tikken. Dat moet voordat de zakdoeklegger om de kring is gelopen en weer op zijn of haar eigen plaats is gaan zitten. Het spel eindigt als dat kind getikt wordt of op zijn eigen plaats gaat zitten. Het kind dat de zakdoek heeft gekregen, is de nieuwe zakdoeklegger.

Jan huigen in de ton
De kinderen vormen tweetallen. Zing het liedje: Jan huigen in de ton, 
met een hoepeltje erom
, jan huigen, jan huigen, en de ton die viel in duigen. We draaien een rondje. Op “de ton die viel in duigen” val je op de grond.

Heb je wel gehoord van de zevensprong
De kinderen vormen tweetallen. We zingen het liedje en draaien een rondje terwijl je zingt. Op “en dat is 1” doe je een stap naar voren met 1 been. Hierna begin je het liedje opnieuw te zingen terwijl je een rondje draait. Er komt dan telkens een nummertje bij. Elk nummer heeft zijn eigen beweging.

1=been naar voren 
2=andere been naar voren 
3=op één knie gaan zitten 
4=ander knie erbij
 5=op één elleboog leunen 
6=op andere elleboog leunen 
7=helemaal in elkaar gedoken op de grond met je hoofd tussen je armen

Hoofd, schouder, knie en teen
Zing het liedje en doe de bewegingen die het liedje aangeeft. Hoofd, schouders, knie en teen, knie en teen. 
Hoofd, schouders, knie en teen, knie en teen.
 Oren, ogen, puntje van je neus.
 Hoofd, schouders, knie en teen, knie en teen.

Vos kom uit je hol!
Eén speler is de vos. Die staat aan de andere kant van het plein, tegenover de rest van de groep. De vos keert zich met zijn rug naar de groep. De groep stapt naar de vos toe en roept heel luid: ‘vos kom uit je hol!’. (Deze zin wordt steeds herhaald door de hele groep). De groep stapt zover mogelijk door tot aan de vos. Als de vos zich omdraait, loopt iedereen terug naar de startplaats. Bij de startplaats ben je veilig. Hoeveel kinderen heeft de vos getikt?

Krokodillentikkertje
Er is één tikker, de krokodil. Hij houdt zijn handen recht naar voren als een krokodillenbek. Op deze manier probeert hij andere kinderen te tikken. Wie getikt is, wordt ook tikker. Zo komen er steeds meer krokodillen!

Ongelukstikkertje
Een tikspel waarbij de tikker één hand op de plek moet leggen waar hij getikt is. Met de andere hand moet hij tikken. Dus wordt je getikt op je been, dan houd je één hand op je been en de andere hand is vrij om te tikken.

De bal, de bal is voor
Eén kind gooit de bal omhoog en zegt ‘de bal, de bal is voor…. (naam kind)’. Dat kind pakt de bal zo snel mogelijk en roept ‘stop’. De andere kinderen rennen zo weg tot stop geroepen wordt. Het kind met de bal probeert de bal onder de benen van iemand door te gooien. Het kind mag eerst 3 stappen zetten.

Natuurlijk zijn er nog meer bekende spelletjes te bedenken, maar deze gebruik ik zelf het meeste.

Welke spelletjes zijn bij jouw klas favoriet?

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>