Articles

ABC Dring!

Het spel ABC Dring! heb ik gekregen van de speelbode. Het spel kun je gebruiken vanaf groep 2 tot groep 8. Het spelprincipe is eenvoudig: je draait een letterkaart om en vervolgens ook een kaartje met een afbeelding. Alle spelers zoeken zo snel mogelijk een woord dat begint met de letter op de letterkaart op het kaartje met de afbeelding. Wie het eerst een woord gevonden heeft, slaat op de bel, zegt het woord en wijst aan op de kaart en wanneer juist is wint de leerling de kaart. Je kunt een tijd afspreken hoe lang het spel wordt gespeeld, degene met de meeste kaarten op het einde is de uiteindelijke winnaar.

abcdring!

 

 

 

 

 

 
Andere ideeën die je kunt gebruiken bij dit spel:

- Leg een aantal kaarten open op tafel. Eén speler omschrijft iets wat afgebeeld wordt, de ander probeert het zo snel mogelijk te raden en slaat vervolgens op de bel.

- Speel het spel en bouw vervolgens een zin met het gevonden woord. Zet die zin vervolgens in de andere tijd.

- Er wordt een kaart omgedraaid en als leerkracht zeg je “Ik zie iets en het rijmt op mand”. De leerlingen gaan op zoek naar een rijmwoord op de tekening en wanneer iemand een woord heeft gevonden slaat deze op de bel.

- De leerlingen moet op de tekening één woord zoeken die te maken heeft met een spellingsregels, bijvoorbeeld een open lettergreep. Wanneer gevonden slaat deze op de bel.

- Speel het spel en laat de leerlingen allemaal een zin op schrijven met het gevonden woord. Je zou er ook voor kunnen kiezen om om de beurt een zin te laten bedenken die met elkaar te maken hebben. Zo ontstaat er een zelfverzonnen woord.

- Je zou de kaartjes met de afbeeldingen ook kunnen we laten en alleen met de letters en de bel een spel kunnen spelen. Je draait daarbij een letterkaartje om en de leerlingen moeten zo snel mogelijk een woord ermee bedenken. Je kunt dit vrij laten bedenken of er een thema aan koppelen.

 

 

8x Spelenderwijs met taal

Schermafbeelding 2020-03-08 om 12.51.13

Taalkundig ontleden…. zelfstandige naamwoorden, lidwoord, bijvoeglijk naamwoord, persoonsvorm, het onderwerp…. allemaal taalkundige onderwerpen waar vanaf groep 4 aandacht aan moet worden besteed. Om het allemaal een beetje luchtig en spelenderwijs aan te pakken kun je gebruik maken van de volgende werkvormen:

woordbenoemen

- Geef de leerlingen in tweetallen een praatplaat rond een thema dat centraal staat gedurende het thema. Laat de leerlingen de zelfstandige naamwoorden met lidwoord opschrijven die ze zien op de praatplaat. Een tweede stap zou kunnen zijn om met deze zelfstandig naamwoorden zelf een zin te maken en hierbij de persoonsvorm en het onderwerp te onderstrepen.

- Het spel raad mijn woord. Laat de leerlingen allemaal een zelfstandig naamwoord op een geeltje schrijven. De geeltjes worden verzameld en door de juf bij elk kind op het hoofd geplakt. De leerling weet zelf dus niet welk zelfstandig naamwoord hij is. Door te vragen aan klasgenootjes moeten ze erachter komen welk zelfstandig naamwoord ze zijn. Je kunt dit in groepjes doen of door rond te lopen in de klas en muziek aan te zetten als de muziek stopt moeten ze aan het dichtstbijzijnde klasgenootje vragen beginnen stellen. Wanneer muziek weer aan gaat dan gaan ze verder met lopen. Welke leerlingen raden het snelste hun zelfstandig naamwoord? Wanneer goed geraden gaan ze terug zitten op hun eigen plek.

- Speel het spel pim pam pet! Bedenk zelf bij de letter waarbij het stopt een zelfstandig naamwoord en maak er een zin mee. De andere leerlingen in het groepje moeten samen het onderwerp en de persoonsvorm kunnen ontdekken.

- Placemat werkvorm: alle leerlingen krijgen per groepje een placemat. Binnen 2 minuten schrijven zoveel mogelijk zelfstandig naamwoorden op zonder lidwoord. Na 2 minuten draait de placemat zodat iedereen andere zelfstandig naamwoorden krijgt. Iedereen moet zorgen dat de zelfstandig naamwoord een lidwoord krijgen. Ook weer binnen de 2 minuten. Als gezamenlijke opdracht zou je ervoor kunnen kiezen om met de zelfstandig naamwoorden zinnen te maken die in het midden komen te staan.

- Bijvoeglijk naamwoord: elke leerling krijgt een A4 blad dat ze in 8 gelijke delen vouwen. Als leerkracht geef je de opdracht om de zelfstandig naamwoorden die worden genoemd door de leerkracht op te schrijven. Ze moeten erna zelf het lidwoord voorschrijven en een bijvoeglijke naamwoord aan toevoegen. Kinderen die eerder klaar zijn mogen bij elk woord een tekeningetje bij maken.

- Speurtocht door de school. Schrijf alle zelfstandig naamwoorden op die je tegenkomt. Bij terugkomst in de klas maak je met de zelfstandig naamwoorden steeds een zin. Wie kan er ook een goed lopend verhaal van maken?

- Zoek in folders en tijdschriften naar zelfstandig naamwoorden. Ook hier steeds zinnen mee maken en onderwerp en persoonsvorm bij onderstrepen.

- Buiten activiteit: zorg voor verschillende afbeeldingen van soorten zelfstandig naamwoorden (mensen/dieren/dingen) verzamel deze in één doos. Leg drie hoepels neer, een voor mensen, een voor dieren en een voor dingen. De kinderen lopen om de beurt naar de doos en kijken waar het zelfstandig naamwoord hoort. Ze rennen naar de juiste hoepel en leggen het kaartje erin. Dan schrijven ze met krijt het woord met lidwoord op. Je zou ze er ook een zin mee kunnen laten maken als is dit niet altijd heel duidelijk met krijt op een stoeptegel.

 

Dobbelsteen analoog en digitaal kloklezen

dobbelsteendigitaleklok

Met deze opdracht oefenen de leerlingen het analoog en digitaal kloklezen.

dobbelsteendigitaleklok

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ze rollen met een minuten dobbelsteen en met een uren dobbelsteen en noteren op hun werkblad (of je stopt het blad in een lamineervel en lamineer het voor langer gebruik) de tijdsaanduidingen die ze hebben gerold. Deze oefening kun je het beste samen doen met een leerling die de digitale klok en analoge klok al kent en een leerling die dit nog moet oefenen, zo kan er ook voldoende worden gecontroleerd.

Download hier de verschillende documenten die je nodig hebt om deze werkvorm uit te proberen.

dobbelsteen_minuten

dobbelsteen_uren

rol_analoog_en_digitaal

Deze activiteit zou je ook klassikaal kunnen doen met  grote dobbelstenen met insteekhoesjes. Zo kun je de controle achteraf nog beter toepassen.

dobbelsteen.insteekhoezen

Spelenderwijs aan de slag met de spellingscategorieën E4 – E5

verrassingsei

Dit jaar ben ik juf van groep 4 – 5 en soms probeer ik ook in spelvorm leerstof al spelenderwijs te herhalen. Zo heb ik het volgende spel bedacht, namelijk verrassingseieren zoeken met spellingmoeilijkheden. De verrassingseieren heb ik gekocht bij de action.

verrassingsei

 

 

 

 

 

 

 

 

In een verrassingsei zit een briefje met de uitleg van de spellingmoeilijkheid en een voorbeeld erbij. De eieren worden in het lokaal of op de speelplaats verstopt van tevoren. De kinderen moeten de verschillende eieren zoeken en zelf bij elke spellingmoeilijkheid die ze vinden een woord bedenken. Je kunt het voor kiezen om het op te laten schrijven op een blaadje of wisbordje en buiten zou je het zelfs met stoepkrijt op de grond kunnen laten schrijven.

Zo zijn de kinderen al speurend en bewegend bezig met het bedenken van nieuwe woorden bij spelling. Vooraf moet je wel ook even afspreken hoeveel woorden je van de kinderen verwacht binnen een bepaalde tijd.

Veel leer en speelplezier!!

De spellingscategorieen met de voorbeeldwoorden van E4 en E5 kun je hier: Spellingscategorieen E4  Spellingscategorieen E5 downloaden.

Rijmen met het versjesboek: ‘Welkom kindje kom erbij!’

P1020127

Dit bijzondere boek heb ik opgestuurd gekregen van team de leukste kinderboeken en staat vol met versjes over het krijgen van een broertje of zusje. In korte versjes staat bijvoorbeeld hoe is als er een baby wordt geboren en ook wanneer er een kindje uit een ander land geadopteerd wordt. Alle 23 versjes zijn voorzien van erg mooie sprekende tekeningen die het versje ondersteunen.

P1020127

Het boekje kan goed dienen voor een grote broer of zus waarbij een baby broertje of zusje verwacht wordt. Ook is het erg leuk om te geven als kraamcadeau aan het broertje of zusje van de baby, ook zij mogen niet vergeten worden!

Natuurlijk kun je het boek ook voorlezen in de klas als er een broertje of zusje is geboren of wordt verwacht. In de kleuterklas kan het tijdens het thema baby ook worden voorgelezen wanneer er bijvoorbeeld een paar minuutjes over zijn. Het zijn ideale korte versjes om tussendoor voor te lezen en omdat ze op rijm staan kun je hier ook spelenderwijs aandacht aan schenken.

Een belangrijke voorwaarde voor het leren lezen is het kunnen rijmen. In de kleutergroep ligt hier de basis, kleuters moeten leren spelen met klanken. Ze ervaren dat woorden op elkaar kunnen lijken. Tijdens het rijmen gaan kleuters spelenderwijs met klankpatronen in woorden aan de slag. Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen eindrijm en beginrijm. In het begin leren de kleuters dat het laatste stukje van een woord kan rijmen op een ander woord, bijvoorbeeld spelen – delen, dit is eindrijm. Aan het einde van groep 2 moeten de kleuters ook beginrijm kunnen herkennen en toepassen. Beginrijm is herhaling van medeklinkers of klinkers in woorden die achter elkaar staan of dicht bij elkaar staan, bijvoorbeeld Leentje leerde Lotje lopen langs de lange Lindelaan.

P1020128